HET DENKEN ZELF
Taal spe elt ook een belangrijke rol in het denken zelf. Taal reikt gedachten aan en ontwikkelt gedachten die er bijna zijn. Het is bijvoorbeeld leuk om te zien hoe de mens zichzelf bekeek in relatie met de technologische en culturele veranderingen. Werd door Aristoteles bijvoorbeeld het menselijk denken gelokaliseerd in de buur van het hart, na oorlogen en het opensnijden van lijken werden de hersenen gezien als de radiateur. Heethoofden hadden last van onvoldoende koeling. Toen Huygens met zijn uurwerken kwam ontstond het beeld van de mens met drijfveren, die van slag kon zijn. Met Joule en Watt werd de stoommachine de metafoor. De mens moest soms stoom afblazen of weer op gang gebracht worden. Leerlingen die minder presteerden kregen het advies er een schepje bovenop te doen (kolen). Ook zijn in ons huidige taalgebruik nog de wortels terug te vinden van de indruk die de telefoon heeft gemaakt als metafoor van het menselijke denken en leren. We gingen contacten leggen en doorschakelen. De signaal-ruisverhouding werd in de communicatieleer geïntroduceerd. In onze tijd is natuurlijk de computer een belangrijke metafoor geworden. Deze metafoor is nu zo scherp dat je je afvraagt wie is de metafoor en wie is de werkelijkheid. De computer heeft een geheugen; de hard ware is het lichaam en de soft ware is de omgeving. Mijn dochter van drie zei: hij meldt dat drive A niet gelezen kan worden& Wie is hij?
Het is duidelijk dat bepaalde ideeën die we de leerlingen kunnen bijbrengen in de natuurkundeles ook modelmatig betekenisvol zijn op de reflectie op het eigen leven en het eigen menszijn& .
In het blad IMPULS van het APS zijn enkele malen artikelen verschenen over taalgericht vakonderwijs in natuur- en scheikunde
Op de site van SLO en Cito (www.vmbo-examengids.nl) is informatie over het vmbo-examen bij elkaar gebracht. Er zijn ook lesvoorbeelden opgenomen voor natuur- en scheikunde. Het gaat om lessen waarbij ook aandacht is gericht op de betekenis van taalontwikkeling binnen het vak natuur- en scheikunde.
Lezers vragen
Q: Hoe vindt taalverwerving plaats bij jonge kinderen? Is achterstand nog wel in te halen op latere leeftijd?
A: Vergelijking van kindertaalstudies over de hele wereld toont aan dat er – tussen verschillende talen - zowel overeenkomsten als verschillen zijn, in de manier waarop een taal geleerd wordt. Onder normale omstandigheden blijken kinderen er vijf jaar voor nodig te hebben om achter de belangrijkste regels van de met hen gesproken taal te komen. Het is gebruikelijk deze tijd in te delen in: de voortalige periode (0–1 jaar), de vroegtalige periode (1–2 jaar) en de differentiatieperiode (2–5 jaar). De talige periode wordt onderverdeeld in fasen die het niveau van de taalontwikkeling aangeven: één-woordfase, twee-woordfase, drie-woordfase en meer-woordfase. Zoals de gehele ontwikkeling van een kind, is ook taalverwerving afhankelijk van de ouder-kind-interactie: dwz. dat de manier waarop het proces verloopt, beïnvloed wordt door de wijze waarop ouders en/of andere mensen met het kind omgaan en ertegen praten. Taalverwerving begint in het eerste levensjaar. Zelfs in de embryonale fase worden belangrijke taalmogelijkheden in de hersenen aangelegd. Vanaf het prille begin wordt er tegen een baby gesproken, alsof die de gesproken woorden al zou begrijpen. Daarbij wordt er op zijn gedragingen ingegaan alsof die communicatief bedoeld zijn. Behalve de gesproken taal spelen non-verbale elementen zoals gezichtsexpressie, blikrichting, lichaamshouding en gebaren een grote rol. Hierdoor begint een kind aan het einde van het eerste levensjaar eenvoudige woorden te begrijpen en begint zelf communicatieve bedoelingen te uiten met gebaren en gebrabbel. In het tweede levensjaar ontstaan de eerste woorden. Uit woordenschatstudies blijkt dat kinderen binnen twee jaar honderden woorden leren. Een driejarige kent 900 à 1000 woorden. Een zesjarige heeft er enkele duizenden tot zijn beschikking. Omstreeks de tweede verjaardag begint een kind woorden te combineren tot zogenaamde twee-woordzinnen. In de volgende jaren wordt de gesproken taal een belangrijker middel in het contact met anderen. Uitingen worden langer en grammaticaal ingewikkelder. Liet het kind in de vroegtalige periode minder belangrijke woorden weg en liet het vervoeging en verbuiging achterwege, in de differentiatieperiode brengt het steeds meer verfijningen aan. Dit geldt ook voor de articulatie: een vijfjarige kan de meeste woorden foutloos uitspreken. Afgezien van deze vorm-aspecten leert een kind de taal hanteren als middel tot communicatie. In gesprekken met volwassenen en kinderen leert het hoe wensen, behoeften en vragen onder woorden te brengen en die van de ander te begrijpen. Zo neemt niet alleen zijn taalvaardigheid toe, maar wordt ook op kennis vergroot. Het is niet verwonderlijk dat de mate waarin kinderen taal beheersen, invloed heeft op schoolprestaties. Naast overeenkomsten bestaan er grote verschillen tussen kinderen in de snelheid waarmee de taal verworven wordt en de mate waarin deze beheerst wordt. Kinderen uit hogere milieus hebben gemiddeld een hoger taalontwikkelingsniveau. Naast verschillen in culturele achtergrond, kunnen er verschillen in taalontwikkeling ontstaan doordat kinderen zich op andere gebieden niet goed ontwikkelen. Bij een handicap, zal vaak het taalverwervingsproces beïnvloed worden. Zo zal een slechthorend kind zich de taal niet eigen kunnen maken zonder hulp. Door zich speciaal toe te leggen op tijdige onderkenning van taalontwikkelingsstoornissen bij kinderen kan in een vroeg stadium met begeleiding begonnen worden. Helaas zijn er veel leerlingen die op de middelbare school komen met achterstanden in het hiervoor geschetste normale proces van taalverwerving. Het devies is: redden wat er te redden valt!
Q: Vroeger zei men: docent tel je woorden. Een goede pedagoog werd volgens mij geacht niet zoveel te spreken. Is dat tegenwoordig andersom???
A: De opvatting blijft waardevol dat een docent in de les een mens is van weinig woorden, maar waarbij de leerlingen werken. Ook het actieve en passieve taalgebruik moet vooral spelen tussen de leerlingen onderling. Wel zal de docent soms voordoen, helpen, verbeteren etc. Wel goed als de docent zich niet opstelt als degeen die veelvuldig en langdurig aan het woord is.
Het onderwerp is wel complex en vraagt om een genuanceerde benadering.
Q: Ik ben een docent die veel aandacht besteedt aan taal-uitleg bij KENNIS / VAARDIGHEDEN, maar ook bij COMMUNICATIE / INTERACTIE. Ben ik goed bezig zo???
Jazeker! Het kan nog beter. Een aardig model toont vier velden waaraan de docent in elke les aandacht moet besteden. Twee van die velden noemt u zelf al. Verbetering is nog te behalen in de velden EMOTIE en ZINGEVING.
|
EMOTIE
GEVOEL
Voorbereide omgeving
Persoonlijke aandacht
Motivatie
Zin hebben |
INTERCATIE
COMMUNICATIE
Samenwerken
Presentaties
Taal gebruiken |
|
KENNIS-
VAARDIGHEDEN
Zelfstandig leren
Uitdaging
Doen
Presteren |
ZIN-GEVING
BETEKENIS
Context
Toepassing
Zin geven
Metacognitie |