InleidingHilde Hacquebord presenteert een aantal (voorlopige) resultaten uit het onderzoek dat is gedaan om de normering van de Elektronische Begripstoets (ETB) aan te scherpen. De ETB is een toets om zwakke lezers te signaleren en te diagnosticeren. Naast de normeringsvraag was er echter ook nog een andere vraagstelling, namelijk: Hoe gaan scholen om met taalvaardigheidsverschillen in programmering en didactiek? En wat is effectief? Presentatie van het onderzoekHilde Hacquebord vertelt dat in het onderzoek voor de normering toetsgegevens van leerlingen zijn verzameld die de Elektronische Begripstoets en een Woordenschattoets maakten, maar dat er daarnaast ook vragenlijsten voorgelegd zijn aan leerlingen, docenten en taalcoördinatoren. Met die vragenlijst werden vragen gesteld over programmering en de visie op taalbeleid of taalproblematiek. Aan het onderzoek werd meegedaan door 19 scholen verspreid over het hele land (alle schooltypen, gebruikers van de ETB), bijna 3000 leerlingen (±7% dyslectische leerlingen, ± 13% T2-leerders), 125 docenten (alle vakken), 14 taalcoördinatoren/ RT-ers. Voorlopige gegevens uit de leerlingenquêteIn de leerlingenenquète werden vragen gesteld die betrekking hadden op de volgende onderwerpen:In welke mate ervaren leerlingen taalproblemen?Hoe staan leerlingen tegenover de taalondersteuning die op school wordt geboden?Hoe gaan leerlingen om met taaltaken?Uit de antwoorden van de leerlingen blijkt dat ze moeite hebben met:Schoolboeken (46% vindt ze vervelend, 65% heeft moeite met details)Moeilijke woorden (44% moeite met woorden, 21% moeite met zinnen)Taalgebruik docenten (25% geeft aan daar problemen mee te hebben)Leerlingen hebben minder moeite met schrijftaken: 70% vindt ze gemakkelijk, 43% vindt ze leuk, maar wel geeft 28% aan spellingsproblemen te hebben en 25% formuleringsproblemen. Uit de leerlingenenquète wordt ook duidelijk wat voor behoeften leerlingen hebben aan taalondersteuning. Van de ondervraagde leerlingen wil 44% aandacht voor tekstbegrip, 56% wil aandacht voor moeilijke woorden, 47% wil hulplessen, 49% wil taaluitleg in de klas en 83% vindt taal belangrijk in de les. Voorlopige gegevens uit de docentenenquêteIn de docentenenquête werd docenten het volgende gevraagd: In welke mate ervaren docenten taalproblemen bij het eigen vak?Hoe gaan docenten daarmee om?Welke visie hebben docenten op taalondersteuning en taalgericht vakonderwijs? Het blijkt dat nogal wat docenten ervaart dat leerlingen taalproblemen bij het eigen vak hebben: 30% van de docenten geeft aan dat 20-40% van de leerlingen taalproblemen hebben en bijna 30% van de docenten geeft aan dat meer dan 40% van de leerlingen taalproblemen hebben. Volgens de docenten hebben de leerlingen vooral moeite met begrijpend en studerend lezen, schrijven, antwoorden formuleren en overleggen. Uit de antwoorden wordt verder duidelijk dat docenten van de meeste leerlingen wel weten of ze taalzwak zijn, maar dat ze niet goed weten hoe het staat met het tekstbegrip, de woordenschat, dyslexie en de tweedetaalverwerving. Docenten vinden aandacht voor taal in de les heel belangrijk en veel docenten zeggen dat ze veel doen aan taal in de les. Ook vinden veel docenten taalbeleid erg belangrijk.Scholen blijken verschillende programmeringsvormen in te zetten om taalproblemen aan te pakken: hulplessen, remedial teaching, extra taalondersteuning bij Nederlands, NT2, taalgericht vakonderwijs. Op alle scholen is sprake van combinaties van programmeringsvormen. Voorlopige conclusies uit het onderzoekVoorlopig lijken uit het onderzoek de volgende conclusies getrokken te kunnen worden:De taalproblemen van leerlingen en de behoefte aan ondersteuning daarbij betreffen vooral tekstbegrip en woordenschat.Docenten onderschatten de woordproblemen van leerlingen.De vraag is of schrijfproblemen en mondelinge taalvaardigheidsproblemen wel voldoende onderkend worden.Als ondersteuningsvorm komt de hulples-vorm het meeste voor en wordt redelijk gewaardeerd.TVO als ondersteuningsvorm is matig ingevoerd, maar wordt wel positief gewaardeerd. Misschien is een aanpak: apart (de leerlingen met taalproblemen) én samen (alle leerlingen) het meest reëel en effectief.