Rondetafelgesprek over Onderzoek en taalgericht vakonderwijs
Onder leiding van Maaike Hajer, Lectoraat Lesgeven in de multiculturele school, Hogeschool van Utrecht vindt op de Landelijke Werkconferentie van 2003 een gesprek plaats over onderzoek en taalgericht vakonderwijs.

InleidingHoe kan onderzoek greep geven op de vormgeving en effecten van taalgericht vakonderwijs? Deze vraag willen we met onderzoekers en deelnemers bespreken in de vorm van een rondetafelgesprek.Begonnen wordt met het kort nalopen van de vijf presentaties die 's ochtends rondom lopend onderzoek gegeven zijn. We bespreken welk type onderzoek er verricht is en met welke uitkomsten. Daarna bespreken we de volgende vragen:

  • Hoe (met welk type onderzoek en welke instrumenten) kunnen we het best zien wat leerlingen hebben aan taalgerichte vaklessen?
  • Hoe (met welk type onderzoek en welke instrumenten) kunnen we zien wat docenten nodig hebben om taalgerichte vaklessen te realiseren?
  • Wat zijn nu de belangrijkste vragen die de komende tijd rond taalgericht vakonderwijs aangesneden zouden moeten worden, kunnen we prioriteiten stellen?
  • Welke onderzoekstaken zouden docenten zelf in eigen klas kunnen uitvoeren als deel van die 'agenda', welke rol zouden begeleiders en opleiders kunnen spelen om gezamenlijk stukjes van de puzzel bijeen te brengen?

 Aanvang rondetafelgesprekNa het welkomstwoord van Maaike Hajer begint dit rondetafelgesprek met een korte introductie van de deelnemers.  Hierin wordt onder meer aangegeven wat iedereen doet, in welke functie en waar. Vervolgens wordt er overgaan op het noteren van datgene waar iedereen persoonlijk behoefte aan heeft met betrekking tot onderzoek binnen Taalgericht vakonderwijs. Dit om de koers van gespreksonderwerpen op voorhand al een beetje sturing te geven.  Het gesprek begint met het noteren van de belangrijkste vragen en gegevens die naar voren zijn gekomen tijdens de presentaties van de onderzoeken uit het ochtend-programma. Hiervoor is tabel 1 als leidraad gehanteerd.  HiatenNa het bespreken van de onderzoeken is nagegaan waar de onderzoeken nu precies voor hebben gediend en welke hiaten er nog geconstateerd worden. Er wordt geconcludeerd dat het voortgezet onderwijs op het gebied van onderzoek als 'terra incognito' getypeerd kan worden. Er is wel veel onderwijskundig onderzoek verricht en er is onder meer veel onderzoek gedaan naar 'samenwerkend leren', maar er is geen onderzoek gedaan expliciet gericht op taal. Dit blijkt ook een lastig punt. Tabel 1: belangrijkste gegevens per onderzoek in presentatieronde

VRAAG/ FOCUS TYPEverkennendhypothese toetsendontwikkeling GEGEVENSover de les GEGEVENSover leerlingen GEGEVENSover docenten GEGEVENSover leer-middelen
               

 Welk onderzoek, voor wie?Want wat wil je dan precies onderzoeken? Leerkrachtvaardigheden en didactische aanpakken, of geheel andere aspecten?Vanuit het buitenland zijn wel voorbeelden en resultaten van onderzoek gericht op taal bekend. Maar goede resultaten die uit deze contexten naar voren gekomen zijn zullen toch ook in de Nederlandse context uitgeprobeerd moeten worden. Dan is er nog de vraag voor wie het onderzoek moet worden gedaan. Uiteindelijk is het voornaamste doel de onderwijslespraktijk te verbeteren. Daarom is het belangrijk op schoolniveau de noodzaak van dergelijk onderzoek te onderstrepen. Onderzoek kan bijvoorbeeld gerichter naar voren brengen welke effecten Taalgericht vakonderwijs oplevert. En dat is toch waar de Nederlandse overheid op afrekent: op resultaat. Dit lijkt nog wel ingewikkeld.  Toetsing en instrumentenResultaten van onderzoek zullen moeten worden afgestemd op de inzet die is gedaan. Hiervoor zit je al snel aan een intensief soort onderzoek vast, tenzij je het in grote getale en in samenwerking uitvoert. Hier zouden standaardinstrumenten voor ont-wikkeld kunnen worden. Tijdens het gesprek werd hierover wel de zorg geuit of dit niet veel te grofmazig is. Maar dit lijkt nauw samen te hangen met datgene wat je uiteindelijk wilt meten. Je wilt bijvoorbeeld weten of leerlingen taalvaardiger zijn geworden, maar ook of ze beter zijn geworden in de andere vakken. Daarvoor onder-scheidt het Taalgericht vakonderwijs taaldoelen en vakdoelen. Deze zullen dus ook beide getoetst moeten worden. Er moet, samengevat, een duidelijk probleem centraal staan voor toekomstig onderzoek.  Toekomstig onderzoekNa over reeds verricht onderzoek te hebben gepraat, richt het gesprek zich op de relevantie van toekomstig onderzoek. Waaraan is er op het gebied van Taalgericht vakonderwijs grote behoefte? En hoe kan onderzoek in deze behoefte helpen voorzien? Kort wordt er gebrainstormd over een aantal aspecten waarop onderzoek zich zou moeten gaan richten. Afgesproken wordt om een half uur in kleinere groepen uiteen te gaan om één aspect per groep verder uit te diepen. Vervolgens kunnen de resultaten van deze groepjes in de hele groep gepresenteerd en bediscussieerd worden.  Vier gespreksonderwerpen worden geformuleerd om in groepen verder besproken te worden:1.         Het nagaan van effecten: welke doelen/ eisen worden gesteld en hoe kunnen deze aan de hand van  leerlingresultaten gemeten worden? 2.         Beleidsmakers: duidelijk aangeven wat het taalprobleem is3.         Bewustwording van docenten en professionalisering4.         Veranderingen binnen organisaties: welke voorwaarden zijn er landelijk nodig en hoe kan onderzoek ondersteund worden vanuit de overheid? Uitkomsten Uiteindelijk zijn er drie groepen geformeerd voor een diepere discussie. De eerste groep heeft zich beziggehouden met punt 1: ‘het nagaan van effecten’, de tweede groep heeft zich gericht op de ‘bewustwording van docenten en hun professionalisering’.punten 2 + 4: ‘beleidsmakers en organisaties’, en de derde groep heeft gepraat over punt 3: de ‘bewustwording van docenten en hun professionalisering’.

Groep 1 Deze eerste groep stelde een onderzoeksopzet voor met een pre- en postmeting. Deze metingen zouden zich kunnen richten op het meten van de satisfactie bij leerlingen, docenten en schoolleiding. Hiervoor moeten dan wel het proces en de interventies helder in kaart gebracht worden. Hierop volgend kunnen tussendoelen en meetbare einddoelen worden vastgesteld. Het voorstel was vervolgens om op landelijk niveau één instrument te ontwerpen waarmee resultaten met elkaar vergeleken kunnen worden. Voor de uitvoering hiervan werd een grootschalig meerjarig onderzoek voorgesteld met een groot draagvlak. Hier zou ook het voorstel op geschreven moeten worden.  Discussiepunt: is dit niet te grofmazig? Groep 1 stelde voor kleinschalige metingen op schoolniveau uit te voeren, zodat ook kleine vooruitgangen aan het licht kunnen worden gebracht. Op landelijk niveau leek het deze groep het meest wenselijk een standaard te hanteren die een globale vooruitgang in kaart kan brengen. 
Groep 2 Groep 2 zag de beleidsmakers als een soort ‘natuurlijke vijand’, die als het ware ‘bestreden’ moet worden. De groep kroop hiervoor in de huid van deze vijand om een tactiek aan te nemen voor het verkrijgen van geld. Als bondgenoot zagen zij de trendwoorden: constructivisme, communicatieve vaardigheden en taalportfolio. Wanneer deze trends in een voorstel prominent naar voren worden gebracht leek deze groep de kans groot dat ‘de vijand’ zou zwichten. 
Groep 3 In de derde groep werd het duidelijk dat docenten enthousiast gemaakt moeten worden om gemotiveerd hun medewerking te verlenen. Op deze wijze zullen zij zich ook met enthousiasme professionaliseren. De beste manier hiervoor leek het presenteren van goede voorbeelden en het aanbieden van materialen waarmee docenten ‘wat kunnen’. Ook moeten plannen voor docenten bestaan uit concrete beschrijvingen van hoe het anders kan. Het presenteren van dergelijke goede voorbeelden zou een belangrijke stimulans kunnen zijn om zelf aan de slag te gaan met Taalgericht vakonderwijs.