Rondetafelgesprek over Taalgericht vakonderwijs bij opleiding en nascholing
Onder leiding van Joke Morshuis, Margreet Verboog en Jan de Kievit van de Educatieve Faculteit Amsterdam en Henk Jongkind, Junior College West, Amsterdam vindt op de Landelijke werkconferentie 2003 een gesprk plaats over Taalgericht vakonderwijs in de opleidingen.

InleidingNet zoals op de scholen een omslag in denken en handelen nodig is om Taalgericht vakonderwijs in te voeren, zo geldt dat ook binnen de opleidingen. Om leraren op te leiden die deze werkwijze in de praktijk gaan toepassen, is nodig dat al op de opleiding ook op deze manier gewerkt wordt. Vaak zijn het de docenten Nederlands, die het voortouw nemen, en hun collega’s vakdocenten gaan proberen te enthousiasmeren.Bij dit rondetafelgesprek gaan we ons bezighouden met vragen zoals:Wat kun je doen om collega’s van de verschillende vakken meer taalgericht te laten denken en doen? Wat blijkt te werken en wat werkt beslist niet?Hoe kunnen we de stages van lio’s en dio’s daarbij een rol laten spelen?Wat zijn de mogelijkheden van de opleidingsscholen daarbij?Er wordt veel bijscholing gegeven op de scholen op het gebied van taalbeleid, en dat staat eigenlijk los van de opleidingen, maar is dat wel goed? Kan er niet meer samengewerkt worden?Op welke manier kunnen de lerarenopleidingen meer samen gaan werken, welke bestaande samenwerkingsverbanden kunnen we daarbij gebruiken? Het doel is aan de deelnemers handreikingen te bieden voor de eigen situatie, en te komen tot meer samenwerking tussen opleiders, nascholers, scholen, docenten en studenten bij de invoering en ontwikkeling van taalgericht vakonderwijs. Aanvang rondetafelgesprekRond de tafel zitten opleiders van de EFA en de Hogeschool van Utrecht, school-begeleiders uit Twente en Amsterdam,  een practicumdocent, een RT/taalcoördinator, een ROC-docent en een leerplanontwikkelaar. Op de tafel liggen zes gekleurde vellen, met daarop stapeltjes stellingen die geordend zijn naar: opleidingstageorganisatiesamenwerking opleiding en scholensamenwerking opleiding en nascholingdiversen.  OpdrachtIedere aanwezige gooit om de beurt met de dobbelsteen, en pakt een stelling van het stapeltje waarvan hij of zij het nummer gegooid heeft. De opdracht is de stelling voor te lezen en er direct op te regeren. Anderen mogen ook iets zeggen, na 3 minuten gooit de volgende met de dobbelsteen. Het doel is handreikingen te bieden voor de deelnemers die met de invoering van Taalgericht vakonderwijs op de scholen soms in vreemde situaties komen. De werkwijze zorgt er voor dat de vaart er in blijft en dat er veel verschillende zaken aan de orde komen. (zie bijlage 10 voor een overzicht van de stellingen.) De bijeenkomst wordt afgerond door samen te proberen de discussie samen te vatten in toekomstgerichte aanbevelingen. Enkele voorbeelden van de bespreking van de stellingenDe stelling luidt: Je bent lid van de werkgroep Taalbeleid. Je polst belangstelling bij je collega Geschiedenis voor een kritische lezing van het schoolboek ‘Sporen’. Zijn reactie: “voor taalbeleid hebben we geen tijd. Het boek moet uit.” Hoe is je antwoord?De reactie is: Als de leerlingen de tekst niet begrijpen door moeilijke woorden en zinnen, dan kun je het boek wel doorwerken, maar wat bereik je dan? Het is geen of-of, maar en-en. De stelling: Een schoolpracticumdocent zegt: “Ik heb als begeleider te weinig gewicht bij het eindoordeel over het functioneren, ik bedoel het vaardig omgaan met taalverschillen, door de student.”De reactie hierop: Als letten op taalverschillen pas op school, tijdens de stage gebeurt, is dat wel te laat. De lijst met Taalgericht lesgeven (SIOP), die in de ochtendpresentaties aan de orde geweest is, zou in de stagehandleiding van leraren-in-opleiding moeten zitten. De stelling: Het belang van Taalgericht vakonderwijs komt vaak binnen op docentenopleidingen via hun studenten die stage lopen op een ‘zwarte’ school en terugkomen met allerhande vragen op het gebied van taal en vak. De reactie: Als studenten langere tijd op een multiculturele school zijn, of in het lwoo stage lopen, dan komen ze vanzelf met de vraag: hoe moet ik daarmee omgaan. Het is goed dat de studenten in de praktijk met de vragen geconfronteerd worden. Dan zien ze na afloop beter wat ze eraan hebben. De stelling: Je collega Aardrijkskunde heeft werkstukken over vulkanisme laten maken door 2 VMBO. Jij krijgt als docent Nederlands de stapel ook om naar de taalfouten te kijken. “We doen nu toch immers aan taalbeleid? ‘’ , zegt je collega Aardrijkskunde. Wat zeg je?Teruggeven!, reageert de ene lerarenopleider. Nee, dit is een opening voor een gesprek over taal, vindt een ander. Kijk ook naar dingen die de leerlingen goed doen, en spit samen door wat voor soort fouten de leerlingen maken. Wat kun je daaruit afleiden? Maak de volgende keer samen een gemeenschappelijke opdracht met onderscheiden delen Aardrijkskunde en taalvaardigheden Nederlands. De stelling: Taalcoördinator: “Een docent moet leerlingen kunnen stimuleren in wat goed gaat in hun spreken en schrijven.” Kunnen uw studenten of collegae dit?De reactie: Je zou studenten in de opleiding moeten leren nadenken over het leren van de leerlingen. Hoe zet je bij leerlingen het denken op gang. Overigens vindt men dit niet specifiek voor taalbeleid. Een ander merkt op dat zij in de urgentieopleiding ge-leerd heeft om positief te kijken: eerst de positieve punten opsommen, voor je met een verbeterpunt komt. Maar dit moet ook in de opleiding zelf gebruik zijn, voorgedaan worden.Naar aanleiding hiervan wordt opgemerkt dat er afspraken tussen schoolpracticum-begeleiders en de opleidingen zouden moeten komen en een observatielijst over Taalgericht lesgeven zou daar een goede rol bij kunne spelen. De stelling: De lerarenopleidingen moeten de SLO en het APS vaker vragen eens langs te komen als ze curriculumbeslissingen nemen.De reactie: Beslissingen over het curriculum worden op de lerarenopleiding van bovenaf genomen op een hoog niveau. Het is constant een gevecht om taalbeleid of NT2 in beeld te houden. Het is pijnlijk dat de expertise van binnenuit niet gebruikt wordt. Maar er moet eerst een teamgeest heersen, wil interne expertise gebruikt gaan worden. En dat ontbreekt te vaak in instellingen (dit geldt soms ook voor scholen). De stelling: Lerarenopleider: de Hogescholen weten van elkaar niet ze doen om studenten te leren omgaan met taal van het vak. Wat zou een eerste stap zijn?De reactie: De eerste stap die vandaag aan de ronde tafel gezet is, zouden we moeten zien voort te zetten. De stellingen en discussie die ze oproepen moeten leiden tot toekomstgerichte aanbevelingen zegt Margreet Verboog, die met Joke Morshuis de ronde tafel voorzit.  AanbevelingenDe aanbevelingen waarmee de deelnemers bij de afronding van de ronde tafel komen, zijn de volgende:

  • Lerarenopleidingen zouden beter bij elkaar moeten kijken, ze zouden moeten van elkaars aanbod op de hoogte moeten zijn: hoe maken ze de aanstaande docenten vaardig in stimuleren van taalvaardigheid bij leerlingen?
  • Leer studenten de prestaties van de leerlingen (altijd) positief te benaderen.
  • De kunst is niet de studenten en docenten te overtuigen, maar hen zo te bevragen dat ze zelf de goede vragen gaan stellen.
  • De Lijst Taalgericht Lesgeven van het CED verdient een plaats in stagehandleidingen van studenten in het VO
  • Het is tijd voor een nieuwe opleiding tot coördinator taal op school, zowel in P.O. als in V.O. In iedere schoolopleiding zit een breed talig stuk.
  • ‘Ik wacht op de eerste taalcoördinator van Turkse of Marokkaanse afkomst”
  • In alle lerarenopleiding zou een plek moeten komen voor een onderdeel Taalgericht vakonderwijs.
  • Vertaal de missie in een programma: ga naar het eerstvolgende VELON-congres en presenteer iets gemeenschappelijks vanuit Taalgericht vakonderwijs voor de lerarenopleidingen.