Taalgericht vakonderwijs en beroepsgerichte vakken
Elsbeth van der Laan, Stichting voor Leerplanontwikkeling, Enschede; Paula Bosch & Jacqueline de Maa, ITTA, Amsterdam werken uit hoe de vaktaalverwerving in beroepsgerichte vakken ondersteund kan worden.

Themagroep over Taalgericht vakonderwijs en beroepsgerichte vakkenElsbeth van der Laan, Stichting voor Leerplanontwikkeling, Enschede; Paula Bosch & Jacqueline de Maa, ITTA, Amsterdam InleidingHoe kan Taalgericht vakonderwijs vorm krijgen in de beroepsgerichte vakken? Dat taal daar ook een belangrijke rol speelt, staat niet ter discussie. Maar hoe de vaktaalverwerving in beroepsgerichte vakken ondersteund kan worden, dat is een andere vraag. Samenwerking van taal- en vakdocent is nodig. Ook andere ontwikkelingen in het vmbo vragen om meer samenhang tussen algemene vakken en beroepsgerichte vakken. In beroepsgerichte settings kunnen leerlingen taaltaken: uitvoeren, oefenen of onder-wezen krijgen. Voor welke taaltaken geldt dit, onder welke voorwaarden, en is het noodzakelijk je te beperken tot beroepstaken? Wanneer is taalsteun nodig? En bij welke docent (Nederlands of beroepsgericht) wordt de taaltaak geoefend en uitgevoerd? DoelHet doel van de middag was het uitwisselen van kennis en ervaring over het vormgeven van taalgericht vakonderwijs in de beroepsgerichte vakken. Hierbij stonden de volgende vragen centraal:Hoe kan in de beroepsgerichte vakken worden gewerkt aan beroepsgerichte taal(taken)?Hoe kunnen taal- en vakdocent hierbij samenwerken? Het huzarenslaatjeDe deelnemers kregen twee videofragmenten te zien van een les, waarin de voor-bereiding en het maken van een huzarenslaatje centraal stonden. In de eerste ronde keek men globaal naar taal(taken) die in het fragment voorkwamen en op welke wijze dat gebeurde. In de tweede ronde werd gekeken met behulp van een scoringsmodel[1]Kijken met het scoringsmodel taalgericht vakonderwijsIn het scoringsmodel (zie bijlage) worden de aandachtspunten context, taalsteun en interactie onderscheiden. De groep werd in drieën verdeeld, waarbij één groep keek naar context, de tweede groep naar taalsteun en de derde groep naar interactie. Iedere deelnemer vulde het formulier eerst individueel in, waarna de resultaten in de eigen groep werden bespoken. BevindingenDe besprekingen leverden levendige discussies op. Om te beginnen blijkt de meerder-heid van de deelnemers ware amateurs op het gebied van eieren koken. De meeste mensen zetten het ei gelijk met het water op. Foute boel, want hoe weet je dan zeker of een ei 3,5 of 7 minuten heeft gekookt? In het koksvak maakt dergelijke precisie het verschil tussen een gele en een blauwe eierdooier. De discussie ging over taalgerichte punten. In hoeverre wordt bijvoorbeeld de voorkennis geactiveerd als vooraf recept en werkvolgorde worden doorgenomen, waarbij ook ruimte is voor de sleutelbegrippen van dit aandachtspunt? Als de docent de werkvolgorde stapsgewijs op het bord zet, is er dan sprake van taalsteun? Is er sprake van reflectie op taakaanpak als de docent laat zien en uitlegt hoe en waarom je komkommerplakjes dakpansgewijs neerlegt?Wanneer je een les observeert met een gericht scoringsmodel, kun je veel beter en gedetailleerder kijken naar een les. Hierdoor verbetert ook de kwaliteit van de feedback. Een prettige  bijkomstigheid is dat er ook meer positieve dingen gesignaleerd worden. Als een les per aandachtspunt wordt bekeken blijkt de docent onderdelen van Taalgericht vakonderwijs toe te passen, die bij globaal observeren niet waren opgevallen.  Voorstellen tot verbeteringenTot slot hebben de groepjes per aandachtspunt gekeken wat er aan de les  veranderd kan worden om hem taalgerichter te maken. Hierbij kwam ook aan de orde welke rol de taaldocent kon spelen en hoe vak- en taaldocenten daarbij konden samenwerken.De contextgroep zou onder andere veel meer aandacht besteden aan voorkennis, waarbij onder andere culturele verschillen aan bod komen. Wat is eigenlijk een huzarenslaatje? Wie heeft er wel eens een gegeten? Wanneer eet je in Nederland een huzarenslaatje? Verder zouden zij het activeren van voorkennis veel meer koppelen aan de uitvoering van (deel)handelingen rondom het huzarenslaatje, dus niet vragen wat is canneleren/ciseleren, maar vragen deze handelingen uit te voeren.  De groep taalsteun zou onder andere de taaldoelen expliciet maken.  Hierbij zouden ze aangeven welke woorden de leerlingen moeten leren en welke taalhandelingen ze moeten uitvoeren. Ook zouden zij de vaktermen meer in context plaatsen. De groep interactie zag veel meer mogelijkheden om de leerlingen te laten samenwerken en daar taaltaken aan te koppelen, bijvoorbeeld de leerlingen in groepjes de werkvolgorde laten maken en/of een plan van aanpak te laten schrijven. Samenwerking taal- en vakdocentDe rol van de docent Nederlands en de samenwerking van taal- en vakdocent zijn door tijdgebrek onvoldoende aan bod gekomen. Wel werden hier kritische noten bij geplaatst. Zo vroeg een deelnemer zich af waarom de docent Nederlands dit zou willen? Wat zijn belang hierbij is? Het leek ons een goede vraag om over door te praten tijdens de volgende werkconferentie.  


[1] Laan, E. van der, Handleiding bij de film Betekenisvol Boekhouden. Utrecht: APS, 2003