Geïntegreerd taal- en vakonderwijs; empirische evidentie voor effectiviteit
Eric van Schooten en Yolande Emmelot, SCO-Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam
In deze presentatie doet Eric van Schooten verslag van een literatuurstudie die hij met Yolande Emmelot op het SCO-Kohnstamm Instituut in opdracht van het WODC heeft uitgevoerd. De vraag was: van welke kenmerken van geïntegreerd taal- en vakonderwijs in empirisch onderzoek is de werkzaamheid aangetoond?
Nadat ze het begrip ' geïntegreerd taal- en vakonderwijs' gedefinieerd hebben, hebben ze de empirische evidentie geïnventariseerd voor de werkzaamheid van de aspecten die dit soort onderwijs kenmerken. Zo zijn ze uitgekomen op een analysekader met vijf verzamelingen van aspecten, waarvan de werkzaamheid in empirisch onderzoek aannemelijk is gemaakt:
1. het combineren van taalonderwijs, zaakvakonderwijs en eigen ervaringen,
2. de kwaliteit van de input,
3. het vragen van output,
4. aandacht voor de vorm, en
5. interactie.
Met dit analysekader hebben ze vervolgens acht leermiddelen en twee scholingsprogramma's voor docenten gescreend op of die aandacht geven aan deze vijf domeinen. De leermiddelen betreffen primair, secundair en volwassenenonderwijs en het zijn zowel leermiddelen voor taalgericht vakonderwijs als voor vakgericht taalonderwijs. Uit de globale analyses blijkt dat de 10 geanalyseerde leermiddelen en programma's aan de meeste van de vijf aspecten inderdaad aandacht besteden. Opvallend is wel dat de aandacht voor de vorm en het aanzetten tot presteren aan de grenzen van het kunnen (een deel van het domein 'output') het minst aandacht krijgen.
Een van de deelnemers vraagt om meer voorbeelden van talige fenomenen die eigen zijn aan specifieke zaakvakteksten. Erik van Schoten had al het veelvuldig gebruik van nominalisaties (zelfstandig gebruik van werkwoorden, bv 'het beschouwen') in geschiedenisteksten genoemd. Zijn antwoord was dat hij er wel ad hoc een paar kan verzinnen (bijvoorbeeld de lijdende vorm in verslagen van een natuurkundeproef), maar dat het belangrijker is dat de docenten Nederlands en de zaakvakdocenten samen kijken naar wat de gebruikte zaakvakteksten karakteriseert. Je kunt als docent Nederlands zelf zaakvakteksten bestuderen en gebruiken bij het werken aan tekstverklaringen. Ook kun je om er achter te komen wat problematisch is, taalzwakke leerlingen hardop denkend/interpreterend een zaakvaktekst laten lezen. Het punt is dat veel docenten wel denken aan woordkennis bij het faciliteren van tekstbegrip, maar dat er meer talige onderwerpen zijn die aandacht behoeven dan zaakvakvocabulair ofwel jargon alleen. Het betreft met name aspecten die eigen zijn aan academisch taalgebruik, dat vaak erg concies en abstract is. Expliciteren van de boodschap schiet het doel voorbij, omdat je dan van 2 kantjes geschiedenistekst 10 pagina's maakt. Daarnaast komen dezelfde syntactische/morfologische etc constructies in meerdere teksten behorend bij een vakgebied voor. Ook van belang is dat leerlingen niet alleen receptief, maar ook productief met de bedoelde constructies kunnen omgaan. Ze moeten immers ook vragen beantwoorden bij een proefwerk op het vakgebied, of verslagen schrijven, discussiëren etc. Zo moet niet alleen aandacht gegeven worden aan karakteristieken van geschreven zaakvakteksten. Ook de taalhandelingen die veelvuldig gebruikt worden in de academische context moeten geoefend worden (argumenteren, aangeven het ergens niet mee eens te zijn, om uitleg vragen, aangeven wat je niet begrijpt, etc.) Ook hier ligt een rol voor de docent Nederlands, die via observaties van zaakvaklessen zou kunnen bepalen om welke taalhandelingen het gaat. En al de te oefenen aspecten dienen geoefend te worden in een context die primair gericht is op betekenisoverdracht.
Een andere vraag was hoe dit alles toegepast moet worden in de lessen, het duizelde sommige toehoorders na de lezing. Een docent merkte op dat de screensaver van de powerpointpresentatie, die schietende sterretjes liet zien, wel toepasselijk gekozen was. Erik van Schooten heeft geen oplossing voor dit probleem, behalve dan dat elke dag een kleine stap zettend je nog heel ver kunt komen. Probeer ergens te beginnen vanuit het gedachtegoed van geïntegreerd onderwijs en ga stap voor stap verder. Ook geeft Erik aan dat hun rapport in 10 pagina's een overzicht geeft van wat we weten uit empirisch onderzoek over werkzame aspecten van de 'content based approach' ofwel CBA (waaronder alle vormen als taalgericht vakonderwijs, vakgericht taalonderwijs, geïntegreerd onderwijs, sheltered onderwijs etc vallen). In de beschrijvingen van de resultaten van deze empirische studies staat ook veel informatie over wat er bedoeld wordt met verschillende didactische aanpakken en werkvormen (bijvoorbeeld: split-information tasks, shared information tasks, enzovoort) en welke taalvaardigheidsaspecten je met die verschillende taken stimuleert. Overigens zijn er ook goede handleidingen voor docenten op dit gebied verschenen, zoals Handboek Taalgericht Vakonderwijs (Hajer & Meestringa, 2004) of Taal een zaak van alle vakken (Beek & Verhallen 2004).