Ton Oosterveer is adviseur van de SVO, het opleidingsinstituut voor de foodsector. Deze organisatie beschikt over zeven eigen scholen, bedoeld voor het leerlingwezen. Dit betekent dat de SVO nauwe contacten onderhoudt met de leerbedrijven. De organisatie ziet erop toe dat de leerling op het leerbedrijf een goede opleiding krijgt. Daarnaast is de SVO in deze branche de instantie die zich bezighoudt met de invoering van de leerwerktrajecten.
Oosterveer: "Wij hebben contacten gezocht met vmbo-scholen die een consumptieve afdeling hebben of die bezighouden met grootkeukens. Vanuit die scholen krijgen wij leerlingen die een werkplek zoeken voor hun leerwerktraject. Als SVO hebben we gezorgd voor een praktijkboekje, dat we zowel aan de praktijkopleider als aan de leerling zullen overhandigen."
Snuffelen
Bij de samenstelling van het praktijkboekje hebben Oosterveer en zijn medeauteurs zich afgevraagd wat men precies kan verwachten van een leerwerktraject. "Het gaat om leerlingen van veertien, vijftien jaar. Deze willen eigenlijk snuffelen aan het slagersvak Je moet met het vak in contact komen om het leuk te gaan vinden. Daarom hebben we gezocht naar bedrijven waar ze ook werkelijk kunnen snuffelen. Waar ze van alles kunnen zien en proeven, zodat ze inhoudelijk goed weten wat dat slagersvak inhoudt. Dat was ons uitgangspunt voor het praktijkboekje."
Hiegiejeenuh
In het slagersvak speelt taal een belangrijke rol. Denk maar aan de omgang met klanten. Daarnaast gaat het ook om de taal waarin de leerlingen in het praktijkboekje en op de werkvloer worden aangesproken. Oosterveer: "In het leerlingwezen hebben wij te maken met mensen van 17 en 18. Qua taal en belevingswereld verschillen die van leerlingen van 14 en 15 jaar. Om die reden hebben wij ons materiaal ter beoordeling voorgelegd aan Monique van de Laarschot van het Platform Taalgericht Vakonderwijs. Zij kwam onder meer met de waardevolle opmerking dat op vmbo-scholen vaak gewerkt wordt met het schema voorkennis activeren, uitvoeren en terugblikken. Dat laten we in het praktijkboekje terugkomen. Verder heeft ze ons nuttige adviezen gegeven over het aanpassen van de tekst aan het niveau van de doelgroep. Een voorbeeld: hoe spreek je het woord ‘hygiëne’ uit? Op advies van Monique schrijven we het een keer zoals je het zegt: ‘hiegiejeenuh’. Dat is iets waar we zelf nooit aan gedacht hadden."
Taal in de dagelijkse praktijk
Welke taalaspecten zijn in de dagelijkse praktijk van het slagersvak van belang voor de snuffelende leerling? Oosterveer: "Het contact met klanten is natuurlijk erg belangrijk. Daarbij moet je onderscheid maken tussen verschillende bedrijven. Bij een Keurslager hoor je heel beleefd en netjes te zijn. Bij een prijzenslagerij, zo’n gooi-en-smijtzaak, wordt daar minder op gelet. Ook de omgang met collega’s is daar anders. Het is goed dat een leerling dat verschil leert kennen. Dat komt zijn communicatieve vaardigheden ten goede. Andersom kan de leerling in de praktijk van het vakonderwijs en het leerwerkbedrijf ook zijn taal verder ontwikkelen. Telefoongesprekken voeren, bestellingen opnemen, klanten te woord staan, zo vorm je je taal. Dan is het niet meer zo erg belangrijk of je paard nu met een d of met twee d’s schrijft. Het gaat erom hoe je communiceert."