Met een wanhopige zucht schuift Jozien haar stapel toetsen opzij. Maar drie voldoendes van de twintig, ... Wat een ramp! Leerlingen líjken taalvaardig genoeg. Onder elkaar ja! Maar als ze iets voor de klas uit moeten leggen en zéker als ze iets op papier moeten zetten, bakken ze er niks van. Ze moeten het tijdens examens, stages en in hun vak wel kunnen. Hoe leer je ze dat? Die zinnen! Ik begrijp ze vaak niet eens. En ze gebruiken veel woorden zonder te weten wat ze betekenen en beantwoorden vragen fout omdat ze de niet begrijpen wat er gevraagd wordt.
Ík ben geen docent Nederlands, wat moet ík daar mee? Zal ik ze maar gewoon een voldoende geven? Zó slecht zijn ze niet, dat weet ik zeker!
Herken je dit probleem?? Heb je als vakdocent ook vaak het gevoel dat leerlingen het wel kunnen in de praktijk, maar dat ze een probleem houden met de taal? Bij Nederlands doen ze veel taal- en communicatietraining, maar dat lost dit probleem van taal bij andere lessen niet op.
Voor welk taalprobleem is jullie tip een oplossing?
We merkten dat leerlingen moeite hadden met de vaktaal. Ze konden absoluut niet vertellen wat bijvoorbeeld ‘symmetrisch’ was. Ze konden vakmatige handelingen niet verwoorden en vaktaal niet goed gebruiken terwijl dat wel van ze verwacht wordt tijdens toetsen, examens, stage en in hun beroep.
Hoe zijn jullie toen op het idee van een Memoryspel gekomen?
Tijdens onze instructeursopleiding binnen het ROC van Amsterdam hebben we een didactisch verantwoord spel ontworpen. Dit was onderdeel van de cursus van de Educatieve Faculteit Amsterdam (EFA). Wij hebben gekozen voor een spel waarbij leerlingen de vaktaalwoorden moeten gebruiken op een natuurlijke manier zodat ze de woorden goed leren kennen en gemakkelijk in een context gebruiken.
Leerlingen moeten tijdens hun opleiding veel en actief met die woorden en begrippen omgaan, want als kapper moet je aan je klanten in je eigen woorden kunnen uitleggen wat je gaat doen zonder alle onbegrijpelijke vaktaalwoorden te gebruiken. Daarnaast moet je tijdens je opleiding, op examens en met collega’s vaktaal kunnen gebruiken.
Hoe werkt het spel?
De leerlingen werken in groepjes van vier of vijf. De kaartjes liggen op de kop op tafel en leerlingen mogen pas een tweede kaartje pakken als ze het begrip op het eerste kaartje in eigen woorden hebben uitgelegd. Elke groep heeft een spelleider die controleert of de betekenis goed wordt uitgelegd. Hij of zij heeft een lijst met betekenissen. De leerling met de meeste kaartjes wint.
De begrippen zijn onderverdeeld in vier categorieën (knippen, föhnen, sociale vaardigheden, hygiëne, arbo en milieu). Elk groepje heeft een andere categorie en na vijftien minuten wordt er gewisseld. Als je het moeilijker wilt maken, kun je natuurlijk enkele of alle categorieën samen nemen.
Wat vinden de leerlingen ervan?
Iedereen is actief bezig en fanatiek aan het overleggen over betekenissen. Het is overduidelijk dat ze het erg leuk vinden.
Doen jullie het spel vaker?
Ja, je kunt dit spel heel goed een aantal keren herhalen. Je kunt het moeilijker maken door de categorieën samen te voegen en je kunt accenten verleggen naar samenwerken en overleggen.
Hebben jullie het idee dat het helpt?
Het samen overleggen werkt erg goed. Ze raken in een natuurlijk gesprek over vrij ingewikkelde terminologie. We merken dat de woorden op die manier langer blijven hangen. Verder is het ook goed voor zelfvertrouwen en sfeer.
Hebben jullie meer problemen waar je een oplossing voor zou willen vinden?
We zouden graag tips willen hebben over het inzetten van Muiswerk of andere ICT-programma’s. En een ander groot probleem is het lezen van toetsvragen. Hoe kun je leerlingen hier goed en zinvol in trainen zonder dat het saai wordt?