NASK en taal 2
Twan Brouwers gaat in op didactische achtergonden voor de aandacht voor taal bij lessen natuur- en scheikunde. Uit: de Taalkrant 1/1, december 2002, p. 2-4

EEN PRAATBEROEP?

Velen zien het beroep van docent als een praatberoep. Geboren sprekers worden niet zelden docenten. Ze vinden het zelf heerlijk om prachtige verhalen te horen en te vertellen. Dit effect wordt verder versterkt in de beroepspraktijk. Het beroep is misschien nog meer een "luisterberoep"!.

Beginnende docenten merken dat de klas meestal begint te rumoeren als zij de mond houden. Gevolg: de docent denkt dat die vooral maar moet doorpraten om orde te houden.

Er zijn ook docenten die menen dat alle examenstof minimaal eenmaal door de eigen mond moet zijn gegaan… anders "hebben ze het niet gehad".

DIDACTIEK

In de moderne vakdidactiek is de aandacht voor taal toegenomen. Bij natuur- en scheikunde heeft de constructivistische opvatting, de aandacht voor Piaget, de vastlegging van contexten in de examenprogramma’s en de introductie van woordformules een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van talige aspecten. Hierbij worden de leerlingen meer aangezet tot actief taalgebruik en de docent treedt in een meer luisterende rol.

Niettemin geldt voor veel natuurwetenschappelijke lessen nog de karakterisering:

"Ga aan de deur van het klaslokaal staan. De kans is 70% dat je een docent hoort spreken. Als je de docent hoort spreken is de kans 70% dat hij instructies geeft of uitleg. Slechts voor 30% wordt het spreken van de docent gebruikt voor contact met de leerlingen; het geven van antwoorden en het aanmoedigen.

In de meeste klaslokalen moeten 30 leerlingen hun spreektijd verdelen in 30 % van de lestijd. Voor elk is er een partje: 1/90-ste! In een dag spreekt een leerling gemiddeld twee zinnen uit van gemiddeld 8 woorden… Terwijl zij moeten leren!

Traditie en cultuur van het vak

Het schoolvak natuurkunde heeft een historische traditie en een eigen "cultuur" die veel ruimte laat voor verbetering. Ook de wetenschappelijke disciplines van de natuurkunde en de scheikunde hebben een eigen wetenschapscultuur. Hierin is het formalistische taalgebruik een belangrijk onderdeel. Begrippen zijn nauwkeurig afgebakend en gedefinieerd. Dat kan als het ware los van de betekenisgeving van het begrip. In het onderwijs kun je de betekenisgeving natuurlijk niet uit de weg gaan! Toch komt het voor dat docenten in exacte vakken minder gevoelig zijn voor talige problemen.. Emotionele – journalistieke -communicatie heeft dan een geringe betekenis; soms zelfs een negatieve. Ook kan een rol spelen dat bij docenten in exacte vakken de verbaal / linguïstische intelligentie wat mager is ontwikkeld. Ze zijn in hun zelfbeeld gesterkt waar het gaat om hun logisch / mathematische intelligentie.

 

De cultuur van de beoefening van het traditionele schoolvak is een cultuur van weinig woorden gebruiken en werken met symbolen en getallen. Bij het oplossen van problemen wilden we het liefst er "zo snel mogelijk een rekenopgave van maken". Leraren natuurkunde in het vbo klagen er ook over dat "hun mooie vak" dat zo aantrekkelijk was voor "hun taalzwakke leerlingen" door de moderne didactiek "om zeep is geholpen". Ze zeggen: "vroeger konden allochtone leerlingen bij natuurkunde goed uit de voeten". Ze miskennen hiermee de rol die taal speelt bij de ontwikkeling van het denken en het leren. Het taalisolement wordt zo zelfs verheven als een waardevolle karakteristiek van het vak.

Nu is deze opvatting natuurlijk ook ten dele waar. De essentie uit het kennislichaam van de natuurkunde kan als een gedicht in buitengewoon korte vorm worden opgeschreven. Het is zeer bijzonder dat drie wetten van Newton een groot stuk van de klassieke fysica opspannen. Hetzelfde geldt voor de wetten van Maxwell voor de elektriciteit, het magnetisme, de optica etc. De klassieke fysica past qua tekst op één T-shirt.

Bijvoorbeeld als volgt:

God said

div D = 4p r

div B = 0

rot E = - c-1.?B/?t

rot H = 4p j - c-1.?D/?t

and there was light

Taalverwerving in de natuurkundeles

Een mens is onvrij als eigen verbale uitingen niet goed mogelijk zijn. Op vakantie ervaren we deze handicap soms zelf! Hoe helder je gedachten ook zijn; als je er geen woorden aan kunt geven blijft je intellectuele capaciteit verborgen. Je hersenen hebben geen uitvoer meer. Een computer zonder scherm en zonder printer…

Taalverwerving is het proces waarbij een leerling zich de regels eigen maakt die ten grondslag liggen aan het hem omringende taalsysteem..

Deze regels hebben betrekking op de verschillende aspecten die aan gesproken taal te onderscheiden zijn, namelijk regels betreffende

  • klankvorming (fonologie)

bijvoorbeeld: Hoe spreek je uit: energie, watt, ampère, W en m ?

  • Als je niet is (hebt) geleerd hoe je een woord moet uitspreken, zul je het woord liever niet gebruiken.

  • zinsvorming (syntaxis)

bijvoorbeeld: Je zegt: "Er heerst een druk van 1 atm". "De lucht bevat zuurstof". "Op de maan is alles veel lichter van gewicht".

Argumenteren eist het gebruik van woordjes als: dus, want, immers, indien, dan,…

  • Als je geen zinnen kunt maken met een onderwerp, een werkwoordsvorm etc, dan worden taaluitingen moeilijk. Je geeft antwoorden door met een enkel woord een juiste (?) associatie aan te geven.

  • woordvorming (morfologie)

Bijvoorbeeld: Het woord transistor is gevormd uit de woorden ‘transformer’ en ‘resistor’. Een leerling schreef: "elektrische tijd"

Vaktaalwoorden worden aangeleerd, maar ze zijn deels bekend uit het dagelijks leven. Bijvoorbeeld: massa, volume, temperatuur, warmte stroom, en spanning

  • Als je woorden niet snapt kun je grote fouten maken. Je voelt je er onvrij mee!

  • betekenisvorming (semantiek)

Bijvoorbeeld: Wrijving hoeft niet te wrijven. Hoewel we dezelfde woorden gebruiken is het natuurkundig verschijnsel wrijving niet noodzakelijk verbonden met beweging!

Een kleine kracht is ook een kracht! Leerlingen vinden een kleine kracht "geen kracht".

Chemo-fluorescentie = lichtuitzending bij een chemische reactie

  • Als de betekenis van woorden niet duidelijk is dan zul je die woorden toch gewoon zelf moeten gebruiken en aan de reactie van je omgeving merk je dan wel of er iets van deugde.. Dat is spannend

  • regels over taal (pragmatiek).

Bijvoorbeeld regels over de vaktaal. Bijvoorbeeld: Eenheden die namen zijn (b.v. Joule), worden afgekort door een hoofdletter (b.v. J), maar voluit met kleine letter (joule) geschreven. De vaktaal gaat ook over de wiskunde als taal, de grafiekentaal en de formuletaal. Er is ruimte voor vertaalwerk: "zeg dit eens in grafiekentaal" of "kun je daar een woordformule van maken?"

Bronvermelding was altijd al belangrijk… met de toename van computergebruik is de noodzaak toegenomen!.

Wie wil er teruggefloten worden op spelregels? Gênant.

WAT DOE JE ERMEE?

In de praktijk houdt dit in, dat een leerling er achter moet komen welke klanken en klankcombinaties betekenisvol zijn in zijn omgeving, hoe zinnen gevormd worden, hoe woorden verbogen en vervoegd worden en hoe bijv. gesprekken gevoerd worden en argumenten worden gewogen. Gelukkig vindt de gewenste ontwikkeling vanzelf plaats als de leerling wordt blootgesteld aan actief en passief (receptief taalgebruik). Een overmaat ervan; liefst met veel dubbelingen! Van belang is het participeren in situaties van zinvolle "exposure" aan natuurkundige taaluitingen in zinvolle situaties actief en passief en veelvoudig! Dat kan met krantenartikelen, posters, wandkaarten e.d. Dat kan met tekst maar ook soms door iconen.

Verzin werkvormen waarbij leerlingen op een natuurlijke manier praten met elkaar en praten met de docent.

Vragen (laten) stellen en antwoorden (laten) geven. Stel niet steeds de vragen zelf en geef dan niet steeds ook zelf de antwoorden!

Plaats de leerlingen in een rol (je bent medewerker van de consumentenbond) en in een context (je geeft een interview aan een krant) en ontlok zo veel taaluitingen.

Laat leerlingen een eigen kaartenbakje aanleggen met ‘moeilijke woorden’. Bedenk een spel waarbij ze die moeilijke woorden moeten oefenen; bijvoorbeeld een quiz in kleine groepjes.